Wilskracht

Naked

Ik ben niet de enige met dit probleem, zo te zien.

“Ik vraag me weleens af ”, zei vriend K., “wat er zou gebeuren als ik gewoon op iemand af zou stappen en dan zou zeggen: man, je ziet er niet uit.” K. keek er filosofisch bij. “Of als ik tegen een heel vervelend persoon zeggen: jij bent verschrikkelijk vervelend, ik ga, veel plezier met vervelend zijn.”
We zaten in een café waar iemand vlakbij ons er niet uitzag en vreselijk vervelend was, vandaar. Ik heb zo’n gevoel ook weleens, in situaties waarbij iedereen opgedirkt is en Heel Belangrijk en Vreselijk Keurig en waarbij er geluisterd dient te worden naar
iemand die Iets Te Zeggen Heeft, bijvoorbeeld. Promoties, diploma-uitreikingen, ballenborrels, kunstdingen. Onherroepelijk bekruipt me dan de neiging keiharde boeren te gaan laten of om even in mijn blootje aan een kroonluchter te gaan slingeren. Ik doe het niet. Maar mocht ik ooit gek worden, is het mijn eerste agendapunt om midden tijdens andermans oeverloze monoloog  mijn tong uit te steken en “BRWAAAH” te roepen of een vuistslag uit te delen.
Niet al dit soort neigingen komt uit agressie voort, hoor; soms wil ik ook opeens een wildvreemde knuffelen omdat hij/zij de eendjes staat te voeren. Of omdat ‘ie iets moois gemaakt heeft. Het kan ook nieuwsgierigheid zijn. Ik loop ergens stage waar eens per week live een radio-uitzending is, en de presentator daarvan zei tegen mijn collega: “Ik zou weleens gewoon weg willen gaan voor het begint. Dan zou ik snel naar huis fietsen en daar gaan luisteren naar wat er gebeurde.” Waarop mijn collega filosofeerde: “En hoe zou iedereen reageren als ik gewoon in de uitzending zou gaan zitten en me in het gesprek zou mengen?”
Laatst las ik dat mensen een beperkte portie wilskracht per dag hebben. Daarom is het bijvoorbeeld moeilijk om te stoppen met roken of om af te vallen (laat staan tegelijkertijd). Zouden mensen die zichzelf niet regelmatig hoeven te bedwingen wildvreemden te slaan of te zoenen het daar dan makkelijker mee hebben? En als je jezelf iedere dag tot iets vrij zwaars moet zetten, wordt het dan moeilijker om met die spaarzame wilskracht je antisociale neigingen te onderdrukken?
Ik maak me om dat laatste een beetje zorgen. Even voor de zekerheid dus; mocht u iemand naakt door de tl-verlichte krochten van de VU zien sprinten: ik ben het maar. Het scriptieseizoen is aangebroken.

Deze column staat ook in Ad Valvas.

Wisselwerk: Jubelend Afdekzeil

Wisselwerk! Lisa Droës stuurde me een tekening, ik schreef er een tekst bij. Volgende keer weer andersom. Deze tekening heeft Lisa trouwens met links gemaakt in plaats van met rechts – er is altijd ruimte voor experiment hier. Ha. Klik op ‘t plaatje voor meer (rechtshandig) werk.

De stem van onderbuurvrouw Shirley is er altijd. Ze zei eens tegen mij, in haar mooie Engels: “I was born with this voice, raised with seven brothers, I can’t help it sweety.” We waren er net achter gekomen dat we allebei stage lopen. Dat vond ik leuk, maar zij zei: “you are young sweety, I’m old and fat and I speak no Nederlands, this stage is going to take me at least two years.” Volgens mij loopt ze stage in haar eigen huis. Ze zingt graag, langdurig en vals, het klinkt of ze onder mijn douche staat in plaats van onder haar eigen. Wanneer ze haar deur open heeft staan ruik ik in mijn kamer parfum, sigaretten en iets dat ik niet thuis kan brengen. Soms maken ze filmopnamen in haar huis, voor de Ghanese tv. Voorlichtingsfilms, voor jongeren in de gemeenschap; “I won’t have sex with you” schreeuwt iemand bij wijze van lichtend voorbeeld. Er schijnt er een felle spot door mijn gordijnen. Ze doen mooi werk daar beneden, goed werk, ze is aardig, ik weet niet veel van haar en nog minder van Ghana en dat vind ik jammer maar ik vraag ook niets, straks wil er nog iemand op de thee komen en ik wil mijn huis zo graag van mij maken maar het licht is niet van mij, de geur is niet van mij en mijn thuis klinkt als andermans huis.

Naast me woonden tot een paar maanden geleden ongeveer dertien veelal onaardige mensen in eenzelfde soort ruimte als die ik in mijn eentje bewoon. Ze werden eruit gezet, wat zielig is, maar wat ik erg fijn vond want de manshoge berg rottend afval op het balkon naast ’t mijne werd ook verwijderd. Laatst waagde ik het om samen met m’n vriend in de zon te gaan zitten; binnen kregen we niets gedaan door de kakofonie van Shirley en de nieuwe buurjongen, die zoals vaak zo hard reggae draaide dat onze broekspijpen ervan fladderden. Zijn vriendin was op bezoek. Ze dronken bier en rookten joints en zij sprak erg luid over haar gevangenisverleden. Ze wilde dat wij het hoorden, denk ik. “Hier,” riep ze naar mijn buurjongen, “zes euro, alles wat ik heb”. En: “Ik neuk alleen jou, dat weet je toch schatje, alleen jou neuk ik.”. Ik deed of ik niets hoorde, ze schreeuwde harder, ook om boven de muziek uit te komen. “Ik kom bij je wonen,” brulde ze, “en mijn moeder zegt dat ik niet moet drinken met de baby in mijn buik, na dit biertje neem ik een Red Bull.”. Hij zei niets. Ik gaf m’n vriend een zoen. “Woehoe!” moedigde ze ons aan. Ik weet dat je kan praten met mensen, ik doe dat vaak, maar je kan niet onzichtbaar worden en dat zou fijner zijn, onzichtbaar en doof.

Er klinkt nog een geluid. Het komt helemaal vanuit mijn kelderbox. “Mis je ons al?” gnuiven de verhuisdozen die daar staan. “Joehoe,” jubelt een oude rol afdekzeil, “je hoeft alleen maar even aan me te ruiken!”. De verfkwasten kwispelen opgewonden, er klotst wat voorstrijk. Het laminaat onder mijn voeten krult zich van voorpret. Ik dacht eerst dat ik gek werd, maar het (anti-kraak)huis van mijn vriend vertoont dit soort kuren ook. “Haai,” zegt dat opeens uit het niets, “vind je het ook niet uitermate gezellig, dat geluid van instortende muren achter je behang?”. En: “Wat vind je van mijn nieuwste lekkage?”.
We kijken ’t nog even aan hoor, maar alles is welkom, mits de buren maar zacht doen en de woning in kwestie z’n kop houdt.

Het tragische lot van Sander Batman de Vries

Batman

De Dienst Uitvoering Onderwijs heeft een wedstrijd uitgeschreven voor studenten. Wie de beste DUO-app ontwerpt, wint drieduizend euro. De app wordt in gebruik genomen als ‘ie goed genoeg is, en wordt eigendom van DUO.
Dat laatste is logisch, maar baart me ook een beetje zorgen. Namelijk: straks ontwerpt er een student een geniale app die ongeveer dit doet: je logt in met je DigiD, waarna je al je gegevens in kunt zien en wellicht ’t een of ander kunt aanpassen. Die student wint de hoofdprijs en geeft DUO toestemming de app verder te ontwikkelen. Wat er vervolgens uitkomt: je kunt alleen inloggen als je de telefoon in een hoek van PRECIES zestig graden ten opzichte van het hoofdkantoor houdt (daarbij rekening houdend met eventuele hoogteverschillen tussen Groningen en jouw locatie). Voor je je gegevens in kunt zien, dien je in te typen: je DigiD, een wachtwoord, je telefoonnummer, het BSN van je vader en moeder (ook als je die niet kent), je bloedgroep, de exacte datum van het verlaten van de basisschool en je lievelingskleur. Halverwege deze routine is er echter iets – een licentie, een regeerakkoord – verstreken, waardoor je opnieuw moet beginnen. Maar je had al automatisch een account gekregen, waardoor de app denkt dat je fraude pleegt. Daarom moet je eerst je gegevens wissen, waarna je óók volgens het bevolkingsregister plots van de aardbodem bent verdwenen, want het leek ze wel handig om gewoon alle systemen te koppelen. Wanneer je er via de bevolkingsregister-app in bent geslaagd weer te bestaan (tip: neem een nieuwe, veel coolere tweede naam) wil je nog eens inloggen, maar dan is het systeem overbelast en krijg je de DUO-wachtmuziek-app als troost. Vier dagen en namen later kun je eindelijk je gegevens inzien, maar als je probeert iets aan te passen post DUO je studieschuld op Facebook. Foutje van de programmeur. Heeft zijn studie nooit afgemaakt. Je vergeet steeds je Facebook op privé te zetten, dus een oververhit Kamerlid ziet jouw studieschuld en zegt in NRC: ‘Kijk, Sander Batman de Vries is een schrijnend voorbeeld van de teloorgang van de financiële zelfredzaamheid van de student: zo’n geleend bedrag is een teken aan de wand omtrent de hedonistische leefgewoonten van de jeugd.’ Uiteraard onterven je ouders je daarop, dus moet je aan DUO doorgeven dat je daar geen bijdrage meer van ontvangt. Via de app. Enzovoorts.
Succes, mensen. Moge de beste winnen.

Deze column staat in Ad Valvas

Komt dat zien, komt dat zien

Zo, nog één keer hoor. Welkom Terug is eigenlijk voor in de huiskamer en op festivals, maar we zijn de beroerdsten niet en gunnen mensen zonder festivalbloed of huiskamer ook gewoon de kans om te komen kijken. Sterker nog, je kunt zelfs komen als je geen geld hebt, maar dan verwachten we die bijdrage-naar-eigen-inzicht natuurlijk wel in natura. Zaterdag ben ik er ook bij, dus als je stiekem wilt komen moet je dat vrijdag doen.

Speellijst:
27 april in het Gespuis, Spuistraat 47A-1 om:
19.15 uur
20.30 uur
21.45 uur

28 april in de Valreep, einde Polderweg om:
20.30 uur
21.45 uur

MET BIER EN VUURKORF NA AFLOOP!

Reserveren: info@theatergroepthomas.nl

Over Welkom Terug:
Robin en Eline hebben elkaar al jaren niet gezien. Nu halen de jonge zussen herinneringen op aan hun kinderjaren en de reden van hun breuk. Al snel blijkt dat het verleden niet zomaar begraven kan worden, en dat tenminste één van de twee dames pyromane neigingen heeft.
De korte voorstelling ‘Welkom Terug’ gaat over hoe je geheugen (en je familie) je verraden kan. Het is een authentieke Theatergroep Thomas-voorstelling, doorspekt met inktzwarte humor, stof tot nadenken en…een banjo.

Met: Roos Pollmann en Mijs Besseling | Tekst: Roos van Rijswijk | Regie en film: Anna van Keimpema | Muziek: Julia Reinhold | Zakelijke leiding: Merel van Dijk | Artistieke leiding: Gianna Witmaar | Productie: Minke Voorn | Vormgeving: Jop van Galen en Mirja Bons | Met dank aan: Taco Schenkhuizen, Daphne van Ommen, Het Gespuis, Studio Pollmann, Vrederick Photography, Lola beerendonk.

Check ook www.theatergroepthomas.nl

Monoloog van een teleurgestelde marktkoopman

Ja mensen, leuke boekjes hè! Veel ook, jaja, ik snap het wel. Keuzestress. Heb ik ook altijd. Vijftien soorten bier in ’t schap en maar één lever in je lijf. Duizend boeken en maar twee ogen waar je er maar één tegelijk mee kan lezen. Het leven is kut, en daar heeft u er ook maar één van. Denk ik. Ik weet het niet. Maar laten we daar niet te diep op ingaan. Ja, raak maar effe aan hoor. Die boeken dus. Voel maar. Echte bladzijden, jaja! Driehonderd bladzijden, voor maar vier euro, wie biedt? U niet, ik zie het al. U bent zeker een boekenruiker. Nou, die van mij ruiken naar bloemetjes. Ruik dan! Ach, daar vlucht ze. Gaat vast aan de paprika’s hiernaast ruiken. Nou mensen, niet teveel kopen hoor, straks word ik nog rijk. Stel je voor. Zou ik tijd hebben om een boekje te lezen. Nee, dat moeten we niet hebben, ik merk het al, u gunt me niets. Maar ik ben de beroerdste niet hoor, ik gun u uw boekje. Hier. Een boekje. Deze dan? Of liever een oranje? Lees eens een oranje boek! Potjandorie mensen, leest er dan niemand meer? Loop maar door hoor, de truitjes hangen aan de overkant. Staan ook letters op. Ben je een stuk sneller mee klaar. Meneer, wat is er aan de hand, u kijkt wat geërgerd. Weet je wat, ik draai me effe om. Kunt u in alle rust een boek uitkiezen. Als u ‘m daarna maar wel koopt en er niet stiekem mee wegsluipt alleen maar omdat ik niet kijk. Maar dat zou u nooit doen toch? Ik vertrouw u blind. U mij niet, ik zie het al. Ik ben te goed voor deze wereld. En te belezen. Ja, ga maar. Ren maar. Stel je voor, u koopt eens wat. Dat zou te gek voor woorden zijn. Woorden. U weet wel, die dingen die ik verkoop. Kan je niet eten nee. Dan moet u hiernaast zijn, bij de paprika’s.

Lente in Kraaiennest


Wisselwerk! Ik stuurde Lisa Droës een tekst, zij maakte er een illustratie bij. Binnenkort ook een illustratie van Lisa, met een tekst van Roos. Klik op de tekening voor Lisa's site

Op weg naar het metrostation blijkt mijn jas te dik, dus ik doe ‘m uit. Het is nog voor negenen, en vrij druk. De vieze mannen, een soort straatmeubilair, slapen kennelijk nooit; ook (of misschien juist) nu de vrouwen op straat nog slaapdronken rondwandelen kijken de heren door hun kleren heen en brommen ze complimenten waarvan het complimenteuze gehalte in twijfel te trekken valt. Wanneer je als vrouw in deze buurt niet wordt nagesist, zit je haar wel héél slecht of ben je boven de zestig. Ik ben tevreden, ook met mijn haar, al zou ik misschien eigenlijk kwaad moeten zijn. Wat zou er gebeuren als de vrouwen de mannen nafloten?
Nee, wacht, dat wil ik niet weten. Fluit voort.

Een erg mooi meisje loopt me tegemoet. Haar haren glanzen en zijn heel erg steil; vals steil natuurlijk. Zonde, denk ik, want ergens hoop ik nog steeds op een ochtend wakker te worden met opeens een hoofd vol krullen. Het meisje heupwiegt zo nadrukkelijk dat het op dansen lijkt, of in ieder geval alsof ze er erg haar best op heeft gedaan het zo te krijgen. Haar lippen glanzen, ook vals, ook zonde. Ze kijkt niet naar mij maar naar haar Blackberry. Tiktiktiktiktik: het typen op haar telefoon. Wanneer ze passeert, zie ik dat ze aan haar voeten nog pantoffels draagt. Och arme, denk ik wanneer ze al pingend een bus instapt, maar ook: dat waren best toffe pantoffels.

De mannen sissen door. Sinds ik hier woon heb ik voor dit soort voettochtjes een blik gereserveerd die zegt: bedankt, maar flikker op. Op die manier kijken heb ik gestolen van meisjes die veel vaker aangesproken worden dan ik. Ik weet nog niet of ik de ietwat onsympathieke blik houd, al zou hij misschien van pas komen gericht op de vele zendelingen die hier als de zon schijnt rondlopen. “Can I talk to you about God?”, vragen Afrikaanse vrouwen op straat. Ze zijn alleen of in een groepje, en ik trap er altijd in omdat ze zo vriendelijk kijken. Ze zien er erg fris uit en ruiken naar zeep. Ik denk dat ze uit de busjes komen die ik wel eens zie staan bij mij om de hoek: ‘Arise For Jesus Ministries: conquer the nations for Christ’ staat erop, of alleen: ‘God = Love’. “No,” zeg ik altijd, “but good luck.” Dat laatste zeg ik automatisch, want eigenlijk wil ik ze helemaal geen succes wensen. Iedere zaterdagochtend bellen ze aan, maar ze steken geen voeten tussen deuren en maken beleefd rechtsomkeert als je bedankt voor de eer.

Mijn bedankt-maar-flikker-op-blik weerhoudt een oudere vrouw er niet van mij bij mijn arm te grijpen. “JIJ!” zegt ze. “HEE JIJ”. Ik vind haar onbeleefd, maar luister in eerste instantie altijd naar iedereen met veel rimpels. Ook zoiets. “Zeg me! Zijn ze wel open vandaag?” Ze wijst naar de gevel van een instelling voor maatschappelijk werk. Ik zeg dat ik het niet weet. “Dan wat staat er op die papier!” roept ze. Nu tikt ze hard op een A4tje dat op de deur geplakt zit. Ze kan niet lezen; iets waarvan ik me niet voor kan stellen hoe het is. In mijn verbeelding ga je dan gewoon dood, maar dat blijkt mee te vallen. Elders in de stad heb ik eens een buurvrouw gehad die verplicht aan het leren lezen en schrijven was. Ze vroeg me iedere dag of ik haar huiswerk wilde maken, waarop ik aanbood haar te helpen. Na drie minuten zei ze: “Dit wordt niks, ik ben hier te oud voor, ik ga cassave voor je maken, dan ga je daarna die brief van de belastingdienst voorlezen.” De oude vrouw voor de deur van de instelling houdt nog steeds mijn arm vast. “Er staat dat u de deur achter u dicht moet doen” zeg ik. Ze laat me los. “Dus de deur is gewoon open, zeg dat dan” zegt ze, en gooit haar tere lijf met kracht tegen de deur aan, waarop ze naar binnen kukelt. “Gaat het?” roep ik nog, maar ze doet de deur al achter zich dicht.

De metro komt er haast aan, dus ik snelwandel verder naar het station. Helaas is de roltrap stuk en ook nog eens erg hoog. Samen met andere haastigen ren ik naar boven. Halverwege geven er een aantal op. Ik niet, want ik ben getraind door de acht trappen die ik elke dag moet nemen om mijn kamer te bereiken. Precies als ik voet op het perron zet rijdt de metro weg. Triomfantelijk stapt één van mijn veronderstelde medegedupeerden ruim een halve minuut later ook het perron op. “Heb je haast, baby” bromt hij. “Ja, en een vriend” zeg ik. “Jammer, doei”, zegt hij vrolijk, en begint om onduidelijke redenen de roltrap weer af te lopen. “Doei”, zeg ik ook, en wacht verder op lijn 53.

Ik denk niet dat het ergens nadrukkelijker lente aan het worden is dan in Kraaiennest.

Ollanders

Wafel

Het schijnt dat mensen die een tweede studie willen volgen of te lang over hun eerste doen, de laatste tijd nogal eens uitwijken naar België. Betaal je hier voor die tweede keer studeren minstens 7000 euro per jaar, daar kom je weg met een bedrag van rond de 600 euro, met daarbovenop het feit dat je veel makkelijker een woning kunt vinden in Gent of Leuven. Geef die studiebollen eens ongelijk; en dan heb ik het nog niet eens gehad over de andere voordelen van leven in België (het bier, iedereen met een Vlaams accent, dEUS, chocola, had ik het Vlaams al genoemd?).
Ook in de Volkskrant werd melding gemaakt van dit verschijnsel. In het artikel stond dat de Nederlandse studenten vaker dan de Belgische studieachterstanden hebben, waarbij een verband met het eerdergenoemde Belgische bier gelegd werd. Uiteraard werden ter onderstreping van dit gegeven vooral verenigingsleden geïnterviewd die ook alleen maar over hun vereniging wilden praten. En over Guus Meeuwis, die zijn oude vereniging in Leuven met zijn aangeschoten aanwezigheid vereerd had. Vooral met het oog op dat laatste is het niet geheel onverwacht dat ze in België grappen maken over hun Nederlandse medestudenten. Het artikel sluit af met de uitroep die klinkt als er in het café een glas omgaat: of men de tafel even schuin wil houden. Kan de ‘Ollander’ het bier eraf drinken.
Een grapje over gierigheid, natuurlijk. Normaal niet iets om serieus te nemen (dat wij Belgenmoppen tappen betekent niet automatisch dat ze daar allemaal met een IQ rondlopen dat niet hoger is dan het aantal vakjes in een wafel), maar misschien nu wel iets om even over na te denken. De Nederlanders komen namelijk naar Vlaanderen omdat het er goedkoper is. Véél goedkoper, want voor een paar honderd euro krijg je de Nederlandse student zijn land niet zo snel uit. De Nederlandse regering liet het daar echter niet bij zitten en stelde, druk bezuinigend, alles op alles om haar jonge denkers de grens over te jagen (en om die grens dicht te houden, natuurlijk, want immigranten kosten vrij veel).
Op zoek naar meer moppen over Ollanders vond ik deze: ‘Hoe wordt ge schatrijk? Koop een Ollander voor wat hij waard is, en verkoop hem voor wat hij waard denkt te zijn.’ Tja. Dat is haast geen grap meer te noemen, met oog op het kabinet. Kan iemand de tafel even schuin houden?
—-
Deze column staat ook in Ad Valvas
Foto via drbakker